'Welkom Omar, in vrij Syrië', ik huilde tranen van ontroering, het voelt weer als thuis

Als je vlucht voor oorlog, droom je en hoop je op een dag je land in vrijheid weer te mogen begroeten. Na de val van Assad keerde RTL-journalist Omar Diab na veertien jaar weer terug. Wat hij zag en voelde schreef hij op. "Het voelde alsof ik in een andere wereld terecht was gekomen. Tussen vreugde en wanhoop, herinneringen en hoop, stond ik daar, geconfronteerd met een land dat ik had verlaten en dat nu weer als thuis voelt."
8 december 2024, de dag van de val van Assad. Ik ging naar mijn ouders in Nieuwegein. Alleen zij, en al die andere miljoenen Syrische vluchtelingen, zouden mijn gevoel begrijpen. Huilend, dansend, lachend en springend hebben we het gevierd. Momenten van pure euforie. Momenten waarvan we hoopten dat ze ooit zouden komen, maar waar we vooral over hadden gedroomd. Het was zover. Eindelijk.
Veel veranderd
Sinds mijn vertrek uit Syrië is er veel veranderd in mijn leven en dat van mijn vader, moeder, broers en zussen. We moesten ons leven opnieuw opbouwen. Ik volgde twee opleidingen in Nederland en werd journalist. Ik heb een fatsoenlijk bestaan, kan ik zeggen, maar er was altijd gemis van familie en vrienden in Syrië en heimwee naar Damascus en ons huis. De stad waar ik ben geboren en opgegroeid.
Veel tijd om erbij stil te staan had ik niet. Voordat ik het wist, zat ik op het vliegtuig naar Damascus om daar samen met RTL Nieuws-correspondent Olaf Koens verslag te doen van de gebeurtenissen die zich zo snel hadden ontsponnen.

We gingen Syrië in via de grensovergang met Libanon. Aan de Syrische kant zouden we worden opgehaald door Mohamad, een oude schoolvriend, en Abu Ahmad, de man van mijn nicht. De grensposten waren overvol met mensen die terug naar Syrië wilden en anderen die het land juist uit wilden. Het was chaos met overal auto's, aan beide kanten van de weg, op de middenberm. Mensen slalomden lopend en rennend tussen de voertuigen door.
'Omar, hier ben ik'
Ineens werd hard op de ruit van de auto geslagen. "Omar, hier ben ik", hoorde ik. Het was Abu Ahmad. Ik stapte uit en Abu Ahmad omhelsde me. Ook Mohamad was er. Hij kuste me 'op z'n Syrisch' op mijn wangen. In de chaos van het overstappen en het verplaatsen van de koffers en apparatuur van de taxi naar de auto van Mohamad ging ik even opzij en keek naar hun gezichten.
Wat is er anders aan hen, dacht ik bij mezelf. Abu Ahmad was veel grijzer geworden, magerder ook. Hij was enkele tanden verloren, enorme wallen onder zijn ogen. Mohamad was ook grijs, keek serieuzer en staarde wezenloos de ruimte in. Hij leek niet meer de grappige jongen met wie ik veertien jaar geleden spelletjes speelde en mijn liefdesgeheimen deelde.
De oorlog had hen getekend, realiseerde ik me. De impact van de oorlog was zo zichtbaar.

Toen we in de auto stapten, werd het stil. Ik zat naast Mohamad en keek naar het berglandschap: rotsen, gras en struiken. Over een klein uur zou ik in Damascus zijn. Thuis. Gemengde gevoelens overspoelden me: vreugde, angst, ongeloof, liefde en haat. Het was zo overweldigend dat ik mezelf met moeite in bedwang hield. Ik herpakte me en dacht: ik ben hier om verslag te doen, om de wereld te vertellen wat er is gebeurd. Ik ben hier niet voor mezelf.
'Jullie zijn onze broers'
Ik moest denken aan de laatste keer dat ik in Damascus was, voordat ik vluchtte om mijn verplichte militaire dienst in Syrië te ontwijken. Eerst naar Dubai en daarna naar Qatar.
Ik dacht aan de oorlog, hoe het allemaal was begonnen, aan activist Giath Mottar die in 2011 tijdens de demonstraties met bloemen en water naar de soldaten van Assad liep om de vreedzaamheid van de toenmalige protesten te benadrukken. "Jullie zijn onze broers", zei hij, voordat hij werd opgepakt, beschuldigd van terrorisme en doodgemarteld in de gevangenissen van Assad. In die tijd vond ik dat hij naïef was, omdat hij niet begreep dat het regime elke vorm van protest met harde hand zou onderdrukken.
De tegenstanders kwamen in martelgevangenissen terecht, waarvan we er één bezochten in Syrië:
Damascus kwam steeds dichterbij. En ik dacht in de auto aan een telefoongesprek van vroeger met mijn vader, nadat mijn twee ooms op dezelfde dag door het regime waren vermoord. Mijn vader troostte me. "Het leven is een reis waarin geliefden komen en gaan", zei hij. "Dat moet je accepteren."
Ik weet nog dat ik tegen hem zei dat ik het zou hebben geaccepteerd als ze op een natuurlijke manier waren gestorven. Hij zei dat mijn ooms door terroristen waren vermoord, en dat er een dag zou komen dat de daders zouden worden gestraft. We wisten allebei dat hij het regime bedoelde, maar hij durfde het niet hardop te zeggen, bang om afgeluisterd te worden.
Moordenaar in zelfde straat
De moordenaar bleek een officier te zijn in het regime. De man woonde in dezelfde straat als mijn familie. Hij had het huis van mijn oma in brand gestoken, een dag na de moord op mijn ooms. Mijn familie moest een verklaring ondertekenen waarin stond dat ze door terroristen waren vermoord, voordat we hun lichamen mochten ontvangen.
De bewuste officier liep recent, een paar weken voor de val van het regime, nog langs het huis. Hij vertelde toen trots tegen mijn oma dat hij haar kinderen had vermoord.

Ik dacht in de auto aan mijn oma, die na de dood van haar twee zoons ernstig ziek was geworden. Mijn vader had gezegd dat hij niet verwachtte dat ze het zou overleven. Ik mocht haar toen niet spreken, uit angst dat ze iets kwaads zou zeggen over het regime. Ik zag haar voor me met haar oude radiootje waarop ze naar de Koran luisterde en troost zocht.
'Welkom in vrij Syrië'
Mohamad zei uit het niets: "Welkom Omar, in vrij Syrië." Zijn woorden raakten me diep. Ik besefte dat het de eerste keer was dat ik die woorden hoorde. Ik stortte in en huilde tranen van ontroering. Het was nu werkelijkheid: Syrië was vrij, althans: bevrijd van Assad, die ons hele leven boven ons hoofd had gehangen.
Ik huilde om al die jaren dat ik niet naar Syrië kon, ik huilde om de vluchtreis naar Nederland, ik huilde om al die dagen waarop ik had gewacht op dit moment. Ik huilde van vreugde om daar te zijn, op dit historische moment.

Mijn huilen hield pas op nadat we bij het Omayadenplein in Damascus waren aangekomen, in het centrum van de stad. Auto's stonden stil op de grote rotonde. Er werd gezongen en gefeest. Ik keek in de blije gezichten. De mensen zagen er uitgeput uit, alsof ze dagenlang niet hadden geslapen.
Hier en daar stonden rebellen met kalasjnikovs. Ze begroetten ons vriendelijk. Een automobilist opende zijn raampje en zei tegen me: "Kalm maar, we zijn van hem af. Hij is weg." Midden op de rotonde stond een Russische tank, een T-72. Kinderen en mannen stonden en zaten op de tank, zwaaiend en zingend, in extase door de val van het Assad-regime. Ik had een diepe behoefte om het verboden woord te roepen. Veel Syriërs zijn in het verleden spoorloos verdwenen door dat woord te roepen of op te schrijven. "Vrijheid, vrijheid", gilde ik. Daarna klonken er vreugdeschoten in de lucht.

De ochtend erna openbaarden zich de verdrietige gevolgen van de oorlog. De misdaden van het regime, waar we altijd over hadden gehoord, werden zichtbaar. Gevangenen werden vrijgelaten uit de beruchte gevangenissen in Syrië en vertelden hun verhalen. Lichamen van doodgemartelde mensen werden teruggevonden. Soms onherkenbaar verminkt. Fabrieken die drugs voor het regime produceerden, werden ontmanteld. We gingen aan de slag en maakten reportages om de wereld te laten zien wat er in mijn land is aangericht. Die dagen stond ik op de automatische piloot. Ik kon alleen maar denken aan het maken van verhalen over wat er in Syrië was gebeurd.
Inmiddels waren mijn vader en twee van mijn broers uit Nederland ook in Damascus aangekomen. Ze bezochten me in het hotel. "Ongelooflijk", was het enige dat mijn broers ongeveer uit konden brengen. "Damascus zonder Assad, dat hebben wij nooit meegemaakt." Mijn vader zei dat hij een enkele reis had geboekt en voorlopig in Syrië wilde blijven. "Hier kan ik bijdragen aan het opbouwen van een nieuw Syrië. Ik zie wel wanneer ik terugkom naar Nederland", zei hij.

Eindelijk kregen we de tijd om mijn oma te bezoeken. We reden naar de wijk waar ik was opgegroeid, net buiten Damascus. Daar was veel gevochten. De straten waren veranderd. De verwoesting was enorm, overal waren kogelgaten in de muren te zien. We gingen het huis van mijn oma binnen. De benedenverdieping, waar oma vroeger woonde, was gesloten. Door het raam zag ik de door brand zwartgeblakerde muren.
We gingen naar boven, waar mijn oma nu woont, samen met haar schoondochter, mijn nicht en twee dochtertjes van mijn nicht. Oma's gezicht zat ineens vol met rimpels. "Ik ben blij dat ik leef en dat ik dit moment meemaak", zei ze toen we elkaar omhelsden.
Dat moment werd door onze cameraman vastgelegd:
De moordenaar van oma's kinderen is vlak na de val van het regime verdwenen uit de wijk, vertelde ze. We liepen naar beneden om de brandschade te bekijken.
Toen bedacht ik dat ik niet naar mijn ouderlijk huis wilde. Ik kon de confrontatie niet aan met hoe het er nu zou uitzien. Ik was bang dat het te veel voor me zou zijn. "Maar daar heb ik alle tijd voor in de toekomst", zei ik tegen mijn oma. "Want het regime is weg, en Syrië blijft." Ik zag haar oude radiootje op de grond liggen. Ik pakte het op en zei tegen haar: "Het regime is weg, maar uw radiootje blijft."